weten wat er speelt
kennis delen

Zestig jaar werken

18 oktober 2016

Vroeger was de levensloop helder: een derde leren, een derde werken en een derde met pensioen. Nu we steeds langer leven en 30 jaar met pensioen willen zijn is dit niet meer haalbaar. Onze economie kan dat niet betalen (en er zelf voor sparen is alleen voor de écht rijken weggelegd). Doorwerken tot je 80e zal gebruikelijk gaan worden. En dat betekent dat je dus zult moeten blijven leren.

Permanente educatie

Je hele leven blijven leren is dus noodzaak en geen gehobby of mee willen doen aan de Nederlandse Kenniseconomie. Je kunt domweg niet verwachten dat de opleiding die je tussen je 18e en 25e volgt je hele werkzame leven relevant blijft. De zestiger van nu leeft nog in het levensloopstramien van leren-werken-pensioen van de 20e eeuw. Jobhoppen bestond nog niet (pas in zwang vanaf eind jaren 90 van de vorige eeuw). Dat thans ouderwetse patroon leverde een opbouw op van een relatief goed pensioen. De veertiger van nu is wel op de “ouderwetse” manier begonnen, maar ziet dit systeem inmiddels overal om zich heen veranderen en zelfs wegvallen. De verwachting van een goed pensioen na een arbeidzaam leven bij één baas kan niet meer worden waargemaakt.

Vitaal blijven

Relaties tussen werkgevers en werknemers zijn korter geworden en worden in toenemende mate calculerend ingestoken. Dat kan wel fraai verpakt worden als een dynamisch, uitdagend en flexibel bestaan, maar het gaat ten koste van een verzekerde oude dag. Bij de veertiger van nu zorgt dit soms voor verwarring en boosheid.

De twintigers hebben het dan eigenlijk beter voor elkaar. Zij hebben de worst van een verzekerde oude dag nooit voorgehouden gekregen en ze weten (op zijn minst voelen) dat ze erg lang (60 jaar) zullen (moeten of beter: mogen) doorwerken. En niet in vaste banen, maar in een project economie waarin men portfolio’s opbouwt en uitdraagt op sociale media. De keuzes die daarbij gemaakt worden zijn essentieel, omdat de consequenties langer voortduren.
Zij zullen zich moeten leren inspannen om vitaal te zijn en te blijven. En dat gebeurt ook: gezonder eten, fitness, meditatie, minder drinken en reserves opbouwen zijn voor hen normaal; geen hype, maar noodzaak om in welzijn en een zekere welstand te kunnen blijven leven. Dat velen daarbij stress ervaren en moeite hebben om privé en werk te scheiden is ook een feit. Het is opvallend dat deze verschijnselen zich vooral voordoen bij werknemers onder de 35 jaar, met name bij diegenen die geen kinderen hebben; de natuurlijke stop ontbreekt en men houdt zich ook ’s avonds en in de weekenden beschikbaar om werk te verrichten (waar men zegt echt gelukkig in te zijn). Daarmee vervaagt ook de grens tussen betaalde en niet betaalde tijd, wat een meer adequaat onderscheid is dan werk en privé.

Blijven leren

Omdat men voor zijn eigen carrière moet blijven zorgen in een steeds verder geïndividualiseerde werkrelatie zal men ook zelf moeten zorgen voor het op peil houden van de (actuele) kennis. Men zal een heel leven moeten blijven leren. Voor sommige beroepsgroepen is dit verplicht (behalen van jaarlijkse “punten”), zoals werkers in de gezondheidszorg, advocaten, accountants en (heel binnenkort) onderwijzend personeel.
Ook zonder deze stimulans, of dwang zo je wilt, zal iedereen de kennis over het vak waarvoor hij/zij is opgeleid up-to-date moeten houden. Bij veranderende of uitstervende beroepen zal men zelfs nieuwe kennis en vaardigheden moeten aanleren om in de maatschappij te kunnen blijven participeren.

Laagopgeleid bestaat niet

Het is daarbij een misverstand dat dit beter en makkelijker lukt of alleen nodig is bij hoger opgeleiden dan bij lager opgeleiden. Dat onderscheid is sowieso onnodig kwetsend en stimuleert alleen al door het taalgebruik de zo verafschuwde tweedeling in de maatschappij. Laagopgeleid bestaat niet. Hele groepen (toekomstige) werknemers zijn zeer goed - hoog zo je wilt - opgeleid tot vakbekwame, hooggewaardeerde medewerkers. Denk maar eens aan een verbouwing in je eigen huis. Hoe gelukkig ben je als je een gedegen timmerman, een perfecte tegelzetter, een fantastische loodgieter of een échte stukadoor (die glad stukt, ook als er strijklicht over een lange muur valt) aan het werk hebt. In New York worden deze vakbekwame handwerkslieden hogelijk gewaardeerd, en overigens ook (zeer) hoog betaald. Dat zouden we in Nederland ook moeten doen. Die waardering zouden we in Nederland ook voor al die (V)MBO opgeleiden moeten hebben; en niet alleen voor de dokter of de jurist.

Als iedereen de waardering krijgt voor zijn kennis, vaardigheden en ervaring binnen zijn eigen mogelijkheden en vakgebied of dagelijks werk is dat de beste stimulans voor iedereen om te blijven leren. En dat is noodzaak willen we zelf, maar ook als Nederland, een goede toekomst hebben.